Daar werd aan de deur geklopt. Eerst hard, toen zacht: de afgesproken code.
De kinderen sprongen enthousiast op: ‘wie zou dat zijn?’
‘Wees maar gerust’, zei vader haastig. ‘ik ga eerst wel even kijken.’
Voor de voordeur stond Sinterklaas. Hij was alleen.
‘Heb je de spullen?’, vroeg vader.
Sint hield met een trillende hand een zak speelgoed omhoog. Het angstzweet sijpelde onder zijn plaksnor vandaan.
Terwijl vader gedecideerd de goedheiligman het halletje in duwde, speurde hij links en rechts de straat af.
Gelukkig, niemand te zien.
‘Nu!’, commandeerde hij zacht, maar kordaat.
Achter de rolcontainers kwamen twee figuren in pofbroek en kleurrijk vestje tevoorschijn. Op hun hoofd met donker krullend haar, droegen zij een pet met een sierlijke veer.
‘Snel, naar binnen’, siste vader.
Bukkend, zodat zij niet boven de vuilnisbakken uit zouden komen, slopen de twee het huis in.
Vader sloot de deur en leunde er, de spanning wegblazend, tegenaan.
Toen pakte hij Sint stevig bij de schouders: ‘Wat we doen is hartstikke illegaal, maar dat is het waard’, zei hij.
‘Zijn jullie er klaar voor?’
Het drietal knikte, haalde diep adem en zwaaide toen ferm de deur naar de woonkamer open.
‘Zwarte Piet!’, juichten de kinderen blij.